NIEUWS / BLOG

‘Een rondje langs de velden’: Wouter van Eck

Een gevarieerd gezelschap met zeer verschillende achtergronden dat een passie voor voedselbossen met elkaar deelt. Zo zou je het bestuur van Stichting Voedselbosbouw kunnen omschrijven. Wie zijn deze ‘voedselbospioniers’? Wat zijn hun drijfveren en hoe geven zij invulling aan hun ambitie om in vijf jaar minstens honderdvijftig hectare voedselbos te realiseren op landbouwgronden? In de rubriek ‘Een rondje langs de velden’ stellen wij hen aan jullie voor. In de laatste aflevering van deze eerste reeks is het woord aan Wouter van Eck, voorzitter van Stichting Voedselbosbouw.De geluiden en geuren uit mijn jeugd zijn stilaan aan het verdwijnen.”

Wouter van Eck in Voedselbos Ketelbroek - foto: Frank Gorter


Docent… politicus… activist… ‘plantjesnerd’… verhalenverteller… voedselbospionier... Als je de doopceel van Wouter van Eck licht, wordt al snel één ding duidelijk: hij is niet voor één gat te vangen. In zijn werkzame leven vervulde Wouter allerlei verschillende rollen, die óók tegen elkaar aan schuren. Zo was hij docent aan de Universiteit van Nijmegen, voordat hij als campagneleider bij Milieudefensie ging werken en als activist aan de poorten van het Haagse Binnenhof rammelde. Zo tekende hij in 2007 voor het allereerste burgerinitiatief - Boeren met Toekomst - dat door de Tweede Kamer in behandeling werd genomen. Tegelijkertijd kroop het politieke bloed waar het niet gaan kon en zat Wouter twaalf jaar lang als fractievoorzitter van GroenLinks in de gemeenteraad van Nijmegen en was hij actief als Statenlid in Gelderland. In 2009 kochten Wouter en zijn partner Pieter Jansen een kale maisakker nabij Groesbeek en begonnen daar met de aanplant van Voedselbos Ketelbroek. Inmiddels is dit voedselbos - met meer dan vierhonderd eetbare soorten - het bekendste voedselbos van Nederland en gaat Wouter door het leven als ‘voedselbospionier’.


Hink, Stap, Sprong

Bij welke van deze rollen voelt hij zich het meeste thuis? “Ik vond het op de middelbare school ook al lastig een vakkenpakket te kiezen en iets overboord te zetten wat ik stiekem óók leuk vond. Dat is nog steeds zo: ik hou er van om vanuit allerlei invalshoeken naar dingen te kijken”, vertelt Wouter. “Zie het als een hinkelspel: ik vind het leuk om soms een sprongetje te maken van het ene naar het andere vak, van mijn route af te wijken op weg naar de volgende sprong of stap die ik maak. Als je niet te veel in vakjes denkt, kun je veel vaardigheden met elkaar combineren.” Zijn voorliefde voor de natuur loopt echter als een rode draad door alles heen. Als kind was Wouter al veel in de natuur te vinden. Door zijn leeftijdsgenoten werd hij ‘de bioloog’ genoemd, nadat zijn schoolklas naar een door hem ontdekte poel met salamanders kwam kijken. Ook wist Wouter als enige welke planten giftig waren. “Als kind was ik graag buiten en zo ben ik ‘plantjesnerd’ geworden. Dat is me niet met de paplepel ingegoten. Mijn moeder kwam uit de stad en groeide op in een bovenwoning. Zij zei altijd dat ze zó weinig van de natuur wist dat zij nog geen appel- van een perenboom kon onderscheiden. Mijn vader kwam uit een boerendorp uit de Ooijpolder. Hij was docent aan de middelbare school, deed vrijwilligerswerk en was actief in de lokale politiek. Het overdragen van kennis en het vertellen van verhalen is iets wat ik, toen ik later zelf ging lesgeven, van hem heb geërfd. Mijn vader was echter bijna elke avond aan het vergaderen en mijn ouders waren dus niet mensen die erop uittrokken om zeldzame vogels of plantjes te spotten”, lacht hij.

Foto: Pieter Jansen


‘Landschapspijn’

“Nog steeds zijn het bos, met zijn planten, insecten en vogels, mooie en fascinerende plekken voor mij. Maar wat me óók raakt, is dat de natuur kwetsbaar is en we al dit moois gemakkelijk kapot kunnen maken.” En dat is precies wat Wouter in de afgelopen decennia heeft zien gebeuren. Hoe de kaalslag op de natuur het landschap waarin hij opgroeide langzaam doet verdwijnen. Hoe de schaarse natuurgebieden leftovers zijn van de agrarische sector, die het vizier vooral richt op groter, groter, groter en meer, meer, meer. “Veel landbouw is natuurloos geworden: het landschap is nog wel groen, maar het leven is eruit. ‘Landschapspijn’ noemde de Friese journaliste Jantien de Boer dat eens. Het groene landschap waarin ik ben opgegroeid, wordt in het voorjaar steeds stiller, doordat sommige vogels niet meer voorkomen. De geluiden en geuren uit mijn jeugd - het zingen van een leeuwerik of de geur van een bloeiende meidoorn - zijn aan het verdwijnen. Vroeger kleurden de weilanden geel, roze en wit van de paardenbloemen, pinksterbloemen en margrieten. Nu heeft dit het veld geruimd voor een ‘groene woestijn’. De dingen die mij als kind betoverden, de geuren, de geluiden, zijn er niet meer.”


De natuur is vogelvrij verklaard

Landbouw en natuur zijn twee werelden die maar moeilijk met elkaar samengaan. “In Nederland zijn we doorgeslagen in de manier waarop we deze werelden scheiden. We hebben onze landschappen platgeslagen met monoculturen van eenjarige gewassen en een enorme afhankelijkheid van externe inputs, zoals zaden, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Hier en daar is nog een snippertje landschap dat we ‘natuur’ noemen, maar het zijn te kleine gebieden om planten- en diersoorten te behouden. De rest van het landschap is vogelvrij verklaard”, zegt hij. “Door het landbouwbeleid van de laatste decennia is het vizier gericht op een de productie van steeds grotere volumes. Waren in de jaren zeventig kleine gemengde boerenbedrijven met hagen en bomen nog gemeengoed, nu zijn deze bijna uit het landschap verdwenen. Elk jaar valt een deel van de boerenbedrijven om. Bedrijven waar keihard wordt gewerkt en toch onvoldoende inkomsten worden gerealiseerd.” Het is een race to the bottom, zegt hij. “Monoculturen leiden tot bulkproductie en dat leidt weer tot lage prijzen. Nu veel agrariërs door de stikstofcrisis op een andere manier moeten boeren, is de opkomst van nieuwe verdienmodellen dus belangrijker dan ooit.”


Van kale maisakker tot voedselbos

Sinds 2009 beweegt Wouter zich op het snijvlak van natuur en landbouw. Met de aanplant van Voedselbos Ketelbroek ging een droom in vervulling. Tijdens zijn afstudeerproject in Oost-Afrika maakte hij in 1987 kennis met agroforestry. “Ik zag in Kenia aan de ene kant van een vallei maisakkers op hellingen, grond die wegspoelde bij zware regen en mislukte oogsten bij droogte. Toen ik hierover aan een Wageningse landbouwingenieur kritische vragen stelde, zei hij: ‘Wil je dan zoiets als aan de overkant van de vallei? Dat is toch geen landbouw?’ Ik ben daar gaan kijken. Er lag een weelderig bos, waarin bomen en struiken door elkaar groeiden. Sommige kende ik: avocado, mango, papaja, banaan. Andere niet. Er was een kakafonie van vogels en insecten. Het was een divers en gelaagd bos, met veel eetbare soorten. Als plantjesnerd wist ik dat de avocado daar van nature niet voorkomt - hij komt oorspronkelijk uit Mexico - net als de mango, die afkomstig is uit India en Bangladesh. Toch stonden ze daar gebroederlijk bij elkaar in een multiculturele plantengemeenschap in. Ik zag dat het geen natuurlijk bos was, maar een in elkaar gepuzzeld agro-ecologisch landbouwsysteem met soorten uit tropische klimaatzones.”


‘Lui boeren’

Wouter stelde zich voor hoe het zou zijn een landbouwsysteem te ontwikkelen, gebaseerd op de principes van een natuurlijk bos met eetbare soorten die het óók in ons klimaat goed doen. “Dat idee zat lang in een hoekje in mijn hoofd.” Tot hij met zijn vriend Pieter bij de maisakker nabij Groesbeek het bordje ‘Te koop’ zag staan en ze begonnen met de aanplant van Voedselbos Ketelbroek. “Ik kon toen niet vermoeden hoe snel het voedselbos tot wasdom zou komen. Dat heeft me gesterkt in mijn overtuiging dat dit de manier is om landbouw te bedrijven. Je moet de natuur zijn gang laten gaan. Als je dat goed doet, kun je ‘lui boeren’ en hoef je weinig te doen om hieraan een goed verdienmodel te ontlenen.”


Steeds meer boeren weten hun weg dan ook naar Stichting Voedselbosbouw te vinden. “In onze gesprekken sluiten we aan op de ambities van boeren en de plaats waar zij een voedselbos willen aanplanten. Bij het ontwerp spelen namelijk allerlei factoren een rol, zoals de locatie, grondsoort, waterstand, de windrichting en de toekomstige afzet van gewassen. Voor de aanplant moet je drie winters uittrekken om dat in de goede volgorde te doen. Je kunt pas na een paar jaar oogsten en ik adviseer daarom deze overgang geleidelijk te maken. Bijvoorbeeld door vijf hectare te reserveren en hier te experimenteren met een voedselbos, terwijl je in de tussentijd op de rest van je grond door blijft boeren en de bedrijfsvoering in stand houdt”, legt Wouter uit. “Wij vinden dat deze agrariërs veel meer steun van de overheid verdienen. Zij kan het geld dat nu naar de landbouw gaat veel constructiever besteden. Zo is het helemaal niet nodig om boerenbedrijven die dichtbij Natura 2000-gebieden liggen, uit te kopen en te verplaatsen. Als je hier een voedselbos aanplant, komt de natuur ruimer in zijn jasje te zitten én kan het deel worden van een agrarisch bedrijf”, zegt hij. “Steeds meer boeren raken er van overtuigd dat het mogelijk is landbouw en natuur samen te brengen. Het leuke is dat zij vaak verrast zijn over de grote hoeveelheid eetbare soorten die je kunt oogsten en die gewoon in ons klimaat groeien”, vertelt Wouter. “Ik hoop dat het over vijf jaar voor boeren bijna vanzelfsprekend zal zijn om een voedselbos aan te planten. Dan is het wel nodig dat belemmeringen die er nu nog in sommige bestemmingsplannen zijn , worden opgelost en we deze hindernis achter ons hebben gelaten.”

Uitgelicht
Recent